17 april 2026
Vertrouwen versnelt. Regels niet.
Vorige maand publiceerde Arcadis een rapport dat eigenlijk iedereen in de ruimtelijke ordening zou moeten lezen. De titel: Vertrouwen in elkaar, sneller beslissen, anders omgaan met risico's. Het is g
Wat tien energieprojecten ons leren over gebiedsontwikkeling — en waarom we al jaren het verkeerde probleem proberen op te lossen
Vorige maand publiceerde Arcadis een rapport dat eigenlijk iedereen in de ruimtelijke ordening zou moeten lezen. De titel: Vertrouwen in elkaar, sneller beslissen, anders omgaan met risico's. Het is geschreven in opdracht van de NVDE — de Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie — en analyseert tien energietransitieprojecten die sneller verliepen dan vergelijkbare trajecten.
De doorlooptijden liegen er niet om. Stroomverdeelstations die in acht weken werden gebouwd in plaats van vijftien maanden. Windparken die in twee jaar van vergunning naar bouw gingen in plaats van zeven tot negen jaar. Een LNG-terminal die in één jaar stond waar normaal drie tot vijf jaar voor staat. In diverse projecten werd de doorlooptijd met 50 tot 75 procent teruggebracht.
Het is verleidelijk om dit toe te schrijven aan slimme procesoptimalisatie. Aan parallelle vergunningen, modulaire bouwmethodes, gedoogconstructies. En ja, die spelen een rol. Maar de échte conclusie van het rapport staat op pagina 38, in een zin die Arcadis zelf waarschijnlijk niet als de belangrijkste beschouwt:
"Vertrouwen is belangrijker dan regels."
Het verkeerde probleem
Ik snap het wel, eerlijk gezegd. Als je als gemeente, provincie of projectontwikkelaar ziet dat een project vastloopt, is de eerste reflex: de regels aanpassen. Procedures verkorten. Vergunningen versnellen. Een nieuwe wet, een nieuw beleidskader, een nieuwe coalitie die belooft dat het nu écht anders wordt.
Het Arcadis-rapport trekt daar een heldere conclusie over: "Niet regelverandering, maar gedragsverandering." Geen van de tien onderzochte projecten volgde volledig het klassieke traject. Maar ze vonden hun versnelling niet door de regels te omzeilen. Ze vonden hun versnelling door anders samen te werken. Binnen de bestaande kaders.
Dat is een fundamenteel verschil. En het raakt precies de kern van wat ik dagelijks zie in gebiedsontwikkeling.
Vier versnellers — en één blinde vlek
Het rapport destilleert vier succesfactoren uit de tien casussen. Ik loop ze langs en vertaal ze naar wat ik in gebiedsontwikkeling zie.
1. Gezamenlijk urgentiebesef
Bij Gasunie was het de energiecrisis. Bij Enexis de netcongestie. Bij Oude IJsselstreek een lokale duurzaamheidsambitie. In alle gevallen was er een moment waarop het gesprek verschoof van "kan dit wel?" naar "hoe krijgen we dit samen voor elkaar?"
Dat klinkt logisch. Maar in gebiedsontwikkeling ontbreekt die gedeelde urgentie opvallend vaak. Of liever: de urgentie is er wel — Nederland heeft 900.000 woningen nodig — maar hij is te abstract. Te ver weg van de vergadertafel waar de besluiten vallen.
Wat wél werkt? Wat ik in Scheveningen, Pasgeld en Noorderkwartier Leiden heb gezien, is dat urgentie concreet moet worden. Niet "we moeten meer bouwen," maar "deze 200 gezinnen wachten al vier jaar op een huis, en jullie vergaderen er nog steeds over." Het zit hem in de menselijkheid.
In het rapport zie je dat bij Zuidenwind, de windenergiecoöperatie in Brabant en Limburg. Daar maakten ze urgentie lokaal. Bewoners werden mede-eigenaar. Ze beslisten mee over locaties en opbrengsten. Ineens was het niet meer "de windmolens van de projectontwikkelaar" maar "onze windmolens." Doorlooptijd: twee jaar in plaats van zeven tot negen.
2. Parallellisering en risicobereidheid
De succesvolle projecten kozen ervoor om processtappen parallel te laten lopen in plaats van sequentieel. Tesla begon met bouwen in Grünheide terwijl de vergunningen nog liepen. Gasunie startte de bouw van de LNG-terminal via een gedoogconstructie. Shell nam volledige verantwoordelijkheid voor het ontwerp en de bouw van een hoogspanningsaansluiting die normaal door TenneT wordt gedaan.
De rode draad: samen risico durven nemen voordat alles is dichtgetimmerd.
Maar parallellisering werkt alleen als je de relatie fundamenteel anders inricht. Kijk naar Enexis. Zij bouwden stroomverdeelstations van vijftien maanden terug naar acht weken. Niet alleen door modulaire prefab, maar door het hele samenwerkingsmodel om te gooien. "Je gaat van opdrachtgever naar partnership," zegt Enexis. Gemeenten werden vanaf het begin intensief betrokken. Ze gaven soms zelfs toestemming om te starten voordat alle vergunningen rond waren. Niet omdat de regels dat voorschreven, maar omdat het vertrouwen er was.
De lessen die Enexis deelt zijn ongemakkelijk eerlijk: werk samen als partners, niet als opdrachtgever-opdrachtnemer. Betrek gemeenten en stakeholders vanaf het begin en communiceer open over belangen en processen. Standaardiseer waar mogelijk. Durf innovaties te delen en in te zetten in andere regio's. En bovenal: vertrouwen en openheid versnellen het proces meer dan formele procedures.
Die laatste les zag ik ook bij Geothermie Delft — een van de eerste Nederlandse aardwarmteprojecten, in de gebouwde omgeving nota bene. Het project slaagde niet door snelheid maar door volharding, en de cruciale succesfactor was transparantie. Alle partijen — TU Delft, EBN, de gemeente — hadden volledig inzicht in elkaars financiële en operationele informatie. Geen verborgen agenda's. De gemeente trad niet op als regelhandhaver maar als actieve bemiddelaar en facilitator. "De gemeente heeft een belangrijke rol gespeeld door het vertrouwen uit te spreken, ook als bemiddelaar," aldus de betrokkenen. Ze reduceerden het aantal partijen in de keten waar mogelijk, omdat elke extra schakel een extra bron van vertraging en wantrouwen is.
In gebiedsontwikkeling doen we precies het tegenovergestelde. Vaak nog wachten we tot elk rapport af is, elke nota goedgekeurd, elk risico afgedekt. Ondertussen gaan er jaren voorbij.
En ja — parallellisering heeft risico's. Het rapport waarschuwt hier terecht voor bij de Tesla-casus: een gedoogconstructie kan ook leiden tot meer weerstand als de communicatie niet klopt. Tesla compenseerde dit met een proactieve ecologische aanpak. De worst-case natuurtoets ging uit van 400 vleermuizen. Bij inspectie waren het er vier. Overcompensatie als vertrouwensopbouw. Maar het werkt alleen als de basis van partnership er ligt.
3. Vroege en blijvende stakeholderbetrokkenheid
In vrijwel alle casussen bleek: als je stakeholders pas betrekt bij de bezwaarfase, is de kans op verzet en vertraging groot. Vroege betrokkenheid zorgt voor voorspelbaarheid, vertrouwen en minder juridische procedures.
De gemeente Oude IJsselstreek is hier het sterkste voorbeeld. Ze wachtten niet tot projectontwikkelaars zich meldden. Ze wezen zelf gebieden aan waar zonneparken kansrijk waren, onder strikte voorwaarden en in nauwe samenspraak met de lokale gemeenschap. Alleen plannen met sterke landschappelijke inpassing en lokale opbrengstdeling kregen groen licht. In fasen, met evaluatie per ronde.
Het resultaat: minder frictie, voorspelbare procedures en lokaal draagvlak.
Dit is precies wat ik de participatie-paradox noem. We organiseren inspraakavonden als het ontwerp al goedgekeurd is en vragen ons vervolgens af waarom er bezwaren komen. In Oude IJsselstreek draaiden ze het om: eerst de spelregels vaststellen, samen met bewoners, en dan pas plannen beoordelen. Het is zo logisch dat het pijn doet dat dit een uitzondering is.
4. Standaardisering
Enexis ontwikkelde een modulair stationsconcept waarmee ze overal hetzelfde type stroomverdeelstation konden bouwen. De eerste keer kostte dat een jaar investering. Maar daarna kon elke volgende station in acht weken. De Wolden bundelde elf vergunningsaanvragen voor mestvergisters in één pakket, met één vergunningverlener. Acht weken in plaats van vier tot zes maanden.
De les: investeer zwaar in het eerste project. Maak templates, protocollen, standaardprocessen. Want de leercurve is steil, maar de schaalwinst is enorm.
In gebiedsontwikkeling doen we dit nauwelijks. Elk project start alsof het het eerste project ooit is. Alsof niemand ooit eerder een bestemmingsplan heeft geschreven. Terwijl 80 procent van de processen identiek is.
De blinde vlek: het menselijke verhaal
Hier is mijn aanvulling en lichte kritiek op het rapport. Want ondanks die mooie zin over vertrouwen, behandelt Arcadis versnelling nog steeds primair als een procesvraag. De vier succesfactoren gaan over wat je moet organiseren, niet over wie je moet zijn.
Maar vertrouwen organiseer je niet — dat bouw je op, vaak tegen je eigen impulsen in. En dat vraagt iets anders dan procesoptimalisatie.
Neem de Enexis-casus. Het rapport beschrijft hoe ze "van opdrachtgever naar partnership" gingen met gemeenten en aannemers. Mooi. Maar hoe deed Enexis dat? Door kwetsbaar te zijn. "Transparantie is key," zegt Enexis. "Stel je kwetsbaar op, ga in alle openheid het gesprek aan. Zo voelt je partner veilig die het voornemen dan ook omarmt. Dat mag initieel tijd kosten… maar achteraf gaat het wel heel veel sneller."
Daar zit het 'm in. Niet in het parallelliseren van vergunningen, maar in het durven zeggen: "We weten het ook niet zeker. Laten we het samen uitzoeken."
Of neem RWE, die in Moerdijk een batterijopslagproject realiseerde ondanks het feit dat er nauwelijks regelgeving voor bestond. Hun geheim: "Het is echt die protocollen met elkaar afstemmen, mensen meenemen. Vroegtijdig en assertief beginnen, anders had het nooit gekund."
Mensen meenemen. Dat staat in geen enkel processchema.
Wat dit betekent voor gebiedsontwikkeling
Ik snap dat energietransitie en gebiedsontwikkeling niet hetzelfde zijn. Bij energie heb je vaak een helder doel, een dominante initiatiefnemer met kapitaal, en minder diffuse belangen. Gebiedsontwikkeling is rommiger. Meer partijen, meer ambiguïteit, langere tijdshorizons.
Maar juist daarom zijn de lessen uit dit rapport zo relevant. Want als vertrouwen al het verschil maakt bij relatief overzichtelijke energieprojecten, hoeveel meer maakt het dan uit bij de oneindig complexere puzzel van gebiedsontwikkeling?
Het rapport zegt het zelf: "De energietransitie vraagt niet alleen om technische oplossingen en meer capaciteit, maar vooral om leiderschap, vertrouwen en het lef om te veranderen."
Vervang "energietransitie" door "woningbouwopgave." Of door "gebiedsontwikkeling." Of door "de kleilaag." De zin klopt nog steeds.
Wat ik eruit meeneem
Om te beginnen: versnelling is mogelijk binnen bestaande kaders. Geen van de tien projecten wachtte op nieuwe wetgeving. Ze werkten met wat er was, maar anders. We hoeven niet te wachten op Den Haag.
Dan dit: het gaat niet om processen, het gaat om mensen. Het rapport bewijst onbedoeld dat de zachte kant de harde resultaten levert. Vertrouwen, transparantie, gedeelde urgentie, kwetsbaarheid — geen managementwoorden, maar menselijke eigenschappen die je kunt oefenen.
En tot slot: de eerste keer is het moeilijkst. Of het nu gaat om een modulair stationsconcept of een nieuwe manier van participeren: de leercurve is steil. Maar wie investeert in het eerste project, kan daarna schalen. Enexis wil van 10 naar 100 tot 120 stations per jaar. Die eerste acht weken kostten een jaar voorbereiding. Maar dat jaar betaalt zich tientallen keren terug.
Waarom dit rapport mij raakt — en waarom ik er een boek over schreef
Ik lees dit rapport en ik herken alles. De vastgelopen projecten. De doorbraak die ontstaat als mensen stoppen met zekerheden zoeken en beginnen met vertrouwen geven. De ambtenaar die durft te zeggen: "Laten we gewoon beginnen." De wethouder die het risico neemt. Het team dat van vergaderen naar doen gaat.
Over precies deze dynamiek gaat mijn boek Ambtenaren met Ballen, dat in juni verschijnt bij Uitgeverij Haystack. Het is gebouwd op dezelfde overtuiging die Arcadis nu met tien casussen onderbouwt: versnelling zit niet in betere regels, maar in beter gedrag.
Het Arcadis-rapport identificeert vier succesfactoren: urgentiebesef, parallellisering, stakeholderbetrokkenheid en standaardisering. Stuk voor stuk relevant. Maar het rapport stopt waar het spannend wordt — bij de vraag hoe je die gedragsverandering realiseert in organisaties die al decennia vastzitten in patronen.
In Ambtenaren met Ballen beschrijf ik vijf van die verborgen versnellers: van ego- naar eco-leiderschap, de kracht van teamwork, stop met praten en begin met begrijpen, de kracht van rituelen, en verhalen die bewegen. Stuk voor stuk dingen die nergens in het Arcadis-rapport als zodanig worden benoemd, maar die je in elk van de tien casussen terugziet zodra je er tussenin durft te lezen — tweewekelijkse kernteams bij Arcadis Amsterdam, de vaste communicatiemomenten bij Gasunie, tranche-beoordelingen in Oude IJsselstreek, een wethouder in De Wolden die eerlijk was over vóór- én nadelen van mestvergisters. Rituelen die vertrouwen institutionaliseren, verhalen die landen waar dertig slides stuiteren.
Tot slot
Het NVDE-motto luidt: "Twee jaar praten, twee jaar bouwen — realistisch is." Het Arcadis-rapport bewijst dat ze gelijk hebben. Niet door nieuwe regels te bedenken, maar door te laten zien wat er mogelijk is als mensen elkaar vertrouwen.
Maar dan moeten we eerlijk zijn over wat dat vraagt. Het vraagt leiders die durven loslaten. Teams die durven experimenteren. Ambtenaren die durven zeggen: "Ik weet het niet, maar laten we beginnen." En organisaties die fouten zien als leermomenten in plaats van als carrièrebedreiging.
Dat klinkt zacht. Maar het levert keihard resultaat — 50 tot 75 procent sneller, in tien casussen, zwart op wit.
Wessel Tiessens is interim procesmanager gespecialiseerd in het vlottrekken van vastgelopen gebiedsontwikkelingsprojecten. Zijn boek 'Ambtenaren met Ballen' verschijnt in juni 2026 bij Uitgeverij Haystack. Meer weten? tiessens.com/boek
Bronvermelding: Arcadis, in opdracht van NVDE (2026). Vertrouwen in elkaar, sneller beslissen, anders omgaan met risico's — Succesvolle praktijkvoorbeelden uit de energietransitie.